De hondekar & trekhond

Hondenkarren werden al afgebeeld op antiek Grieks aardewerk.

Vanaf 1672 zijn Nederlandse gegevens bekend over honden die een bepaalde soort wagentjes voorttrokken. Honden werden eeuwenlang als lastdier in groten getale voor-, onder- of achter een wagen ingespannen. In 1910 kwamen er met de Trekhondenwet regels en voorschriften voor het gebruik van een hondenkar.

 

Vele beroepsgroepen hebben gebruikgemaakt van de trekkracht van de hond, bijvoorbeeld: de bakker, de groenteboer, de petroleumventer ofwel olieman, imkers, kruideniers, klompenverkopers, kleine boeren, eierenhandelaren, fourniturenverkopers, marskramers, rondtrekkende fotografen, slagers, visboeren, voddenverkopers, verhuizers en diverse ambachtslieden.

 

Overal kwam het gebruik van het paard van de armen voor.

Het Nederlandse staatsbedrijf voor de posterij heeft tot 1922 brieven en kleine pakketjes met de hondenkar bezorgd.

Dit werd gedaan door hun brievengaarders, briefbestellers ofwel postbodes.

Het Nederlandse leger had ten tijde van de Eerste Wereldoorlog meer dan 1200 honden in militaire dienst.

De dieren werden in een tweespan ingespannen voor mitrailleur-, munitie- en gereedschapswagens.


Tot in de jaren twintig van de 20e eeuw kwam de hondenkar vrij algemeen in het straatbeeld voor. De trekkracht van de hond bleek de mens goed van dienst te kunnen zijn. Van schilderijen en uit allerlei andere bronnen is bekend dat al rond 1675 hondenkarren in het straatbeeld voorkwamen.

 

De definitieve doorbraak van de trekhond en de hondenkar dateert van omstreeks 1800. Het zou duren tot ± 1950 dat er met hondenkarren gewerkt werd.

 

Een van de redenen om dit dier in te zetten was dat de hond een goedkopere werkkracht was dan bijvoorbeeld het paard. Wie zich geen paardenkracht kon veroorloven gebruikte de energie van de hond als transportmiddel.

 

Allerlei lasten en vrachten werden per hondenkar vervoerd. De hondenkar was vooral populair bij  bakkers, kleine boeren, eierhandelaren, expediteurs, rondtrekkende fotografen, groenteboeren, imkers, kaasventers, krantenbezorgers, kruideniers, looiers, marskramers, melkventers, petroleumventers, poeliers, postbezorgers, schoenlappers, slagers, visventers, verhuizers en allerlei andere kleine ambachtslieden.
Bekend is dat de hond met hondenkar lang werden gebruikt voor het bezorgen van brieven en pakketpost en in het leger als trekdier voor mitrailleurwagens.

 

Honden trokken niet alleen karren maar ook ploegen en zelfs trekschuiten. De hond was meestal goedkoop in de aanschaf en stelde geen hoge eisen aan onder meer zijn voeding, onderkomen en verzorging. Het dier nam meestal genoegen met wat de “pot schafte”; zijn maaltijd bestond hoofdzakelijk uit etensresten, brood, groenten en slachtafval.

 

Verschillende hondenrassen, maar ook bastaarden, hebben werk met de hondenkar verricht. Het zijn voornamelijk de voorouders van de huidige bekende hondenrassen zoals: bouviers, Duitse doggen, Duitse herders, groenendaelers, Hollandse herders, Pyrenese berghonden, Senne honden en Siberische husky’s. Ook het uitgestorven Belgische hondenras ‘Matin Belge’ werd als trekhond gebruikt.

 

In de Trekhondenwet van 1910 werd een vergunning voor het gebruik van de hond als trekhond verplicht gesteld. De vergunning werd pas verstrekt wanneer aan de voorschriften wat betreft de begeleider, hond en kar werd voldaan.

 

In België wordt deze materie vandaag geregeld door de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, artikel 36, 7°. Het koninklijk besluit van 12 maart 1999 houdende de voorwaarden voor het verkrijgen van een afwijking van het verbod honden als last- en trekdier te gebruiken, voert deze wet uit.

 

 

 

 

 

 

Ook het Belgisch leger maakte gebruik van “trekhonden”

 

 

 

 

 

 

De hondenkar deed ook dienst als persoonlijke taxi.

 

 

 

 

 

 

Populair was de melkkar. Antwerpen 1881

 

 

 

 

 

 

De "scharesliep”


Social Media