Een kerstverhaal voor baasjes en de hond…

Een kerstverhaal voor baasjes en de hond.

 

De oude man zag er bijzonder triest uit. Bijna net zo triest als de hond die hij bij zich had: vaal met kale plekken en afhangende oren. Het dier was ook net zo moe en afgetobd als zijn oude baas. De twee trappen en de lange gang naar de recherchekamer hadden zijn reserves aangetast. De tong hing laag uit de bek. Kwijl drupte op de vloer.

Het was een teef; ze kwam zo ongeveer tot aan mijn knie en had grote zwarte tepels aan een uitgezakte buik en een paar ogen, waarin een wereld van melancholie lag weerspiegeld. Ze keek me wat droevig aan, alsof ze ook van mij geen heil meer verwachtte, zakte daarna door de poten en ging liggen aan de voeten van de oude man, die op de stoel naast mijn bureau zachtjes nahijgde.

Ik wachtte geduldig tot zijn zagende ademhaling weer wat op peil was. 'Als ik doodga...' zei hij na een poosje, 'als ik doodga, ben ik vermoord.' Ik wist niet precies hoe ik op deze mededeling zou reageren. Het klonk wat vreemd, bijna laconiek. Ik keek de oude eens aan, in de verwachting dat hij schertste. Maar zijn gerimpelde gelaat stond volkomen ernstig. 'Als ik doodga, ben ik vermoord,' herhaalde hij op de zelfde toon. 'Ik kom het u maar even zeggen.'

'Ja, ja,' zei ik vaag knikkend, 'dat is goed.'

 

Dat was een absoluut dwaze opmerking van me. Natuurlijk was het niet goed dat deze oude man, of wie ook, werd vermoord. Het was helemaal niet goed. Ik had zo maar wat gezegd, ondoordacht. Het kwam geloof ik doordat de hond mijn aandacht afleidde. De zachte, droefgeestige uitdrukking van die lieve hondekop dwong me steeds naar het dier te kijken. Bovendien was het me opgevallen dat de oude man en de hond de zelfde ogen hadden: bruin, met vochtige, uitgezakte oogranden, waarin een fijn netwerk van rode adertjes. De gelijkenis was zo treffend dat het me een beetje verwarde.

'Nee, nee,' stamelde ik, 'ik... eh, ik bedoel... hoezo als u doodgaat, bent u vermoord?'


Hij verschoof iets op zijn stoel en schonk me een wrange glimlach. 'Ze zijn er langzaam mee bezig.'

 

'Wie?' vroeg ik ontsteld.

Hij gebaarde wat loom in de ruimte. 'Allemaal... ze zijn er een paar jaar geleden mee begonnen. Weet u, eigenlijk al vanaf het moment dat mijn vrouw stierf. Van toen af aan leefde ik maar half.' Ik keek hem niet-begrijpend aan. 'Half?'

Hij glimlachte droevig. 'Ik dacht wel dat u me niet zou begrijpen. Maar troost u... u bent niet de enige.' Hij steunde met een hand op mijn bureau en maakte aanstalten weer op te staan. 'Het is misschien beter,' zei hij verongelijkt, 'dat we weer vertrekken.'

 

De hond kwam moeizaam overeind.

'Wacht nu eens even,' riep ik geërgerd, 'u moet niet zo weer weggaan. Ik kan toch proberen u te begrijpen. Als u een beetje geduld met me hebt, lukt het misschien wel.'

De oude man keek me een tijdje zonder iets te zeggen aan. Hij woog me op de weegschaal van zijn mensenkennis. De hond was weer gaan liggen. '

Toe maar,' moedigde ik aan. '

Och,' zei de oude, 'misschien heb je wel gelijk. Ik moest wat meer geduld hebben. Ik ben weleens wat kort aangebonden. Maar God, dat is toch geen zonde? Ziet u, mijn vrouw... mijn vrouw wist dat. Zij kende me. Ik ben ook zesendertig jaar en zeven maanden met haar getrouwd geweest. Ja, ja, dat is een tijd... zes-en-dertig-jaar-en-zeven-maanden... dat is een hele tijd.' Hij zweeg even en staarde langs me heen in een ver verleden. Er bibberden een paar tranen over zijn oogranden en om zijn lippen speelde een zoete glimlach. 'Je groeit naar elkaar toe, zo, door de jaren heen. Het is net alsof je langzaam in elkaar overgaat. Het staat ook in de Heilige Schrift: "En zij twee zullen tot één vlees zijn".' Hij grijnsde droevig. 'Als je jong bent. .. als je jong bent lees je zo'n Bijbeltekst totaal verkeerd. Je denkt er van alles bij. Maar als je wat ouder wordt... als het leven je een paar dreunen op je kanis heeft gegeven, dan begrijp je het, dan weetje wat er wordt bedoeld.' Ik knikte peinzend. 'Met z'n tweeën één zijn.' Hij zuchtte diep. 'Met z'n tweeën één zijn,' herhaalde hij, 'precies, zo is het.

Toen zij stierf, stierf ik voor de helft, begrijpt u. Er bleef niet zo bar veel meer van mij over.'

Hij liet de onderlip wat zakken en schudde het hoofd. 'Nee, ik was eigenlijk geen half mens meer. Het liefst was ik samen met haar heengegaan. Maar dat heb je nu eenmaal niet in eigen hand.'

Hij zweeg weer even; zakte dromerig weg in herinneringen.

Intussen nam ik hem eens nauwkeurig op. Ik schatte hem op een eind in de zestig. Hij moest vroeger wel een knappe man zijn geweest, maar hij zag er nu slecht en onverzorgd uit. Het donkere pak dat hij droeg zat vol morsige vlekken. Hij droeg geen sokken en zijn schoenen waren kapot.

 

Plotseling begon hij weer te praten. 'In het begin kwamen de muren op me af. Ik hield het niet meer uit thuis. Ik wilde ook mijn getrouwde kinderen niet steeds lastig vallen. Ze hebben tenslotte hun eigen besognes. Dus zwierf ik in de regel maar wat rond, op m'n eentje, langs de grachten en zo. Nou... en toen ben ik haar tegengekomen.'

'Wie?' vroeg ik verwonderd.

Hij wees naar de hond aan zijn voeten. 'Haar.'

Het dier richtte de kop op. Het begreep kennelijk dat er over haar werd gesproken.

'Ja,' ging de oude verder, 'het was op eerste kerstdag, nu precies vier jaar geleden. Ik herinner het me nog als de dag van gisteren. Ik was van plan naar het kerkhof te gaan, maar onderweg bedacht ik me. Wat zou ik daar zien? Wat grassprietjes, verwelkte bloemen. Ik bedoel... ik zou daar toch niet vinden wat ik zocht. Dus ging ik niet, maar maakte een ommetje langs de grachten. Ineens was ze er. Ze sprong pardoes tegen me op en keek me aan. Ik schrok er niet eens van. Ik zag alleen die ogen, die lieve trouwe ogen. Het was. .. het was net alsof ze mijn verdriet begreep, snapt u, zo keek ze; die kop een beetje schuin... zo, en haar logge , poten tegen mijn vest.

 

Plotseling begon ik te grienen... over mijn vrouw natuurlijk. Ik was al die tijd erg flink geweest. Dat zeiden ze allemaal. Ook mijn kinderen zeiden dat. Maar toen op die gracht, bij die hond. kon ik me niet meer inhouden. Ik stond daar gewoon midden op straat te janken... als een kind. En die hond maar kijken. Na een poosje liep ik door, het dier mee. . . naast me. Ik raakte haar niet meer kwijt. Ik ben toen op een stoeptje gaan zitten. Ik ging niet verder, zie je, ik wilde niet dat het dier zijn huis zou kwijtraken. Op die stoep heb ik tegen haar gesproken. Ik zei: Toe nou, meid, ga nou terug, wat moetje bij mij? Ga nou terug, ze wachten thuis op je. En dacht u dat ze ging...' Hij slikte iets weg. 'Je kan zo maar geen vreemde hond meenemen. Dat weet ik best. Maar als er op dat moment iemand die hond nodig had, meneer, dan was ik dat toch. Nietwaar? Ze kwam toch als geroepen, net als het Kerstkindje. .. een geschenk van de hemel.' Ik knikte vaag. 'U nam haar mee naar huis?' 'Ja, ze ging eigenlijk vanzelf mee. Het was direct een hele afleiding.

Ik maakte een bed voor haar van oude lappen, scharrelde in de keuken om wat eten voor ons klaar te maken en kletste tegen het dier. Je zult het geloven of niet, maar ze verstond me vanaf de eerste dag. Ze wist precies wat ik bedoelde. Ik behoefde eigenlijk alleen maar naar haar te kijken en ze wist het.'

Hij pauzeerde even en wreef met de rug van een hand langs zijn mond. 'Na een poosje begon ik weer wat voor het leven te voelen. Zie je, ik had weer iemand. Ik was niet meer alleen.' Zijn gezicht versomberde. '

Maar toen is in feite ook de ellende begonnen.'

 

'Ellende?' 'Ja, het kwam van de buren. De buurvrouw van drie hoog heeft een getrouwde dochter. Die woont bij haar in. Buurvrouw begon te stoken. En ze hield het vuurtje warm. Ze zei dat ik een vieze oude man was met een nog viezere hond. Ze zei dat de hele trap naar die hond begon te stinken. Ze zei ook dat het zonde was van die grote woning... veel te groot voor een oude man alleen. Zie je, ze wil mijn woning voor die dochter van haar.

Dat is het. Ze schreef aan allerlei instanties en ik kreeg heel wat mensen aan de deur die kwamen kijken. Ambtenaren, ambtenaren van de woningdienst, van het cbh, van Sociale Zaken, van de brandweer. Ze vertelde iedereen dat ik te oud was, dat ik niet zo goed meer op me zelf kon passen, dat ik een gevaar was voor me zelf en de hele buurt.'

Hij lachte bitter. 'Ik... een gevaar voor de buurt.'

'En?'

'Nou, ik heb het lang kunnen tegenhouden, maar ze heeft het voor elkaar, hoor. Ik moet eraf.'

'Wat?'

'Ja, ik heb nog een week.'

'En dan.'

'In een verzorgingshuis.'

Ik keek hem onderzoekend aan. 'En die hond?' vroeg ik, want ik begreep dat het daar knelde.

De oude man boog het hoofd en begon te huilen. Erbarmelijk.

Het dier kwam overeind en legde de kop op zijn schonkige knie. De bibberende hand van de oude tastte aarzelend vooruit en bleef op de hondenkop rusten.

Het beeld van die oude man met zijn hond was zo triest, zo zielig, zo intens droevig, dat me een brok in de keel schoot. 'Dat... dat kan niet. Dat... dat mag niet,' stamelde ik vol verontwaardiging. 'Dat kunnen ze niet doen. Ze kunnen die hond niet zo maar van je afnemen.' Het was dom wat ik zei, verre van verstandig. Maar ik sprak niet met verstand. Ik reageerde vanuit mijn gevoel.

De oude man knikte traag. 'Toch wel,' zei hij, 'toch wel. Ze moet naar het asiel, hebben-ze-gezegd.

Het is beter voor het dier, hebben-ze-gezegd.

Ze is oud en d'r nieren zijn aangedaan.'

Hij schudde zuchtend het hoofd. 'D'r nieren... we gaan er allebei kapot aan.'

Hij zuchtte opnieuw. 'Zie je, dat van mijn vrouw heb ik kunnen overleven door haar.

Het dier heeft me erdoor gesleept.'

Zijn hand streelde de hondenkop. '

Maar als ze nu ook haar van me wegnemen, meneer...

Zeg... meneer... wat moet ik dan nog?' Ik wist het niet.

Toen ik de zaak nuchter en verstandig overdacht, begreep ik dat het besluit om de oude man in een verzorgingshuis op te nemen, na ampele overwegingen moest zijn genomen.

Het tekort aan verpleeginrichtingen voor bejaarden - zo wist ik - was ontstellend groot, zodat alleen de ernstigste gevallen in aanmerking kwamen.

In zo'n inrichting was natuurlijk geen plaats voor een oude zieke hond. Ik probeerde in deze geest tegen de oude man te praten -verstandelijk - maar het lukte niet. Het 'verstandelijke' kwam er niet uit. Ik miste de innerlijke overtuiging. Het had geen bezieling. Het vonkte niet over. Ik besefte dat ze allemaal op de zelfde manier tegen hem hadden gesproken -verstandelijk.

Nadat de oude man met zijn hond was vertrokken, had ik een leeg gevoel van binnen.

Op tweede kerstdag kreeg de buurvrouw gelijk. De oude man bleek een gevaar voor de buurt. Hij had de kraan van het gas niet goed gesloten. Het stroomde vrijelijk uit het keukentje. Men belde de politie.

Nadat men de deur had opengebroken, vond men hem in een hoek van de kamer. Hij lag languit naast zijn hond op een berg vodden, samen op weg naar een verzorgingshuis, waar ook voor honden plaats is.

Social Media