Pools kerstsprookje

 Tegen de achtergrond van het donkere bos lag het sneeuwveld te schitteren in de winterzon. Aan de rand van het bos stond een haas even te wachten voordat hij het sneeuwveld insprong. Hij voelde zich vrolijk, want een eindje verder wist hij een veld met heerlijke spruitkooltjes en daar verheugde hij zich op. De haas liep ook niet maar hij sprong, hij leek wel een konijn zoals hij zich voortbewoog.

 

Even ging hij op zijn achterpoten zitten om eens rond te kijken en zag in de verte een licht schijnen, waarschijnlijk van een vuurtje, dat daar gestookt werd. Het leek wel of dat licht hem wenkte, maar hij dacht:,,Straks ga ik wel even kijken,” en hipte vrolijk verder, want het water liep hem in de mond, als hij aan die heerlijke spruitjes dacht.

 

Opeens werd hij zomaar onrustig en verhief zich weer op zijn achterpoten, En, o schrik, heel in de verte zag hij een jager met zijn hond uit het bos komen. Gauw dook hij naar beneden en rende weg zo hard hij kon. Hij dacht niet meer aan spruitjes maar ging nu recht op het licht af.

 

,,Als ik daar maar ben, als ik daar maar ben” was het enige wat in zijn hoofd opkwam. De jager had blijkbaar de hond losgelaten, want hij hoorde het gesnuif al dichterbij komen. Dat beest kon nou eenmaal harder lopen dan de haas.

 

Toen de hond hem al bijna had ingehaald, zakte de haas eensklaps diep weg in de sneeuw want daar zat een greppel onder. De hond stoof er voorbij en kon niet zo snel weer terug vanwege zijn vaart. De haas sprong uit de greppel en rende verder op het licht af.

 

,,Nog even, nog even!” Al zigzaggend (wat de hond verwarde) ging hij zo snel mogelijk verder en met zijn laatste vertwijfelde sprong kwam hij terecht in een voederbak met stro. Hij kroop er diep in weg. Met zijn oogjes dicht en met een kloppend hart wachtte hij op de genadeslag, maar er gebeurde niets. Hij lag op zijn buik in het stro en voelde opeens klein vingertjes op zijn rug in zijn pels graaien. Hij durfde zijn oogjes een beetje open te doen en merkte dat hij naast een heel klein kindje lag. Het haasje vond het een fijn gevoel en kroop nog dichter tegen het kindje.

 

Door de spijlen van de ruif zag hij de kop van een ezel dichtbij , daar was hij niet bang van. Ezels waren zijn vriendjes. Verder links was een man bezig een vuurtje te stoken en rechts een vrouw, die een koe zat te melken. Voorzichtig draaide het haasje zich om en wat zag hij aan de andere kant door de ruif?

 

Voor de ingang van de stal stond een hond met de oren in zijn nek en gek knipperend met zijn ogen. Hij kwam niet de stal in maar bleef er voor staan. Verderop zag hij de jager en bij de stal aangekomen nam die zijn muts af en keek eerbiedig naar het kindje. Hij groette de vrouw en de manen zei: ,,Goedendag, ik ben Joris.” Ook de vrouw, die bezig was een pannetje pap te koken, begroette de jager en zei:,, Ik ben Maria, eet u mee een beetje pap?” Maar de jager bedankte en sprak de woorden:,, Dit is een heilig kindje en gij zijt genadevolle mensen, dat voel ik in mijn hart! Door deze ontmoeting ben ik bijzonder geraakt en gelukkig! Ik dank u!”

  

De jager boog eerbiedig, zette zijn muts op, nam de hond en zei Maria en Jozef goedendag. Die namen afscheid met de woorden:,, Vrede zij u, vrede zij u!”

En het haasje, dicht tegen het kindje en diep in het stro hoorde:,, Vrede zij u, vrede zij u, vrede zij u. 


Social Media